Om te komen tot een probleemstelling, moet antwoord gevonden worden op de volgende zes vragen.
1.
Wat is het probleem? Zorg ervoor dat de kern van het probleem wordt beschreven.
2.
Waarom is het een probleem? Beschrijf de gevolgen van het probleem en de manier waarop dit zich uit. Ga, indien daarover iets bekend is, ook in op de ontstaansgeschiedenis: wanneer deed het probleem zich voor het eerst voor? En wat gebeurde er daarna?
3.
Voor wie is het een probleem? Beschrijf welke partijen erbij betrokken zijn. Geef ook aan of het probleem voor alle betrokkenen inderdaad een probleem is, en zo ja of het om hetzelfde soort probleem gaat.
4.
Wat is de doelgroep? Beschrijf de groep mensen van wie gedrag, affectieve reactie of attitude veranderd dient te worden.
5.
Wat zijn de mogelijke oorzaken en achtergronden van het probleem? Beschrijf mogelijke distale en directe factoren die van invloed zijn. Welk proces lijkt aan het probleem vooraf te gaan?
6.
Is er sprake van een toegepast, specifiek, sociaalpsychologisch en beïnvloedbaar probleem?
-
In hoeverre is er sprake van een toegepast probleem waarvoor een interventie gevonden moet worden? Formuleer naast een waarom- ook een hoe-vraag:
-
In hoeverre is er sprake van een specifiek probleem? Beschrijf de specifieke gedragingen, attituden en affectieve reacties bij een aanwijsbare groep mensen.
-
In hoeverre is er sprake van een sociaalpsychologisch probleem? Laat zien waarom het in dit geval gaat om een vorm van sociale invloed en/of sociale interacties binnen een groep of tussen individuen.
-
In hoeverre is er sprake van een beïnvloedbaar probleem? Beschrijf de haalbaarheid van interventies.
De antwoorden op deze zes vragen kunnen worden verkregen door literatuuronderzoek, een globale verkenning van de wetenschappelijke literatuur, het voeren van verkennende interviews en het uitvoeren van observaties.